www.f1-planet.com - First Gear

 

   Door: Stefan Zwinkels

    Eén voor allen

 

Stel je even het volgende voor: bij MF1 Racing komen tijdens de vrije trainingen voor de Grand Prix van Monaco op donderdag zowel Tiago Monteiro als de vrijdagtester hard in aanraking met de vangrails. Beiden schrijven hun auto compleet af. Het team werkt op vrijdag om de reserveauto raceklaar te maken, maar als op zaterdagmorgen opnieuw een van de coureurs van de baan gaat, zit het team plotseling zonder monocoques met de aanvang van de kwalificatie slechts nog een kwestie van minuten. Een amicaal onderonsje met de teambazen van Toyota brengt uitkomst. Ergens achterin een oplegger heeft het team nog een 2005-chassis staan. De Midland-coureur begint de kwalificatie daarop in de oude Toyota...

Het is iets wat heel ver van de werkelijkheid staat. Buiten het feit dat het reglementair niet kan, is een dergelijk scenario volstrekt ondenkbaar. Teams zijn zowel op als naast de baan zware concurrenten en ieder team zal daarom altijd zijn eigen boontjes moeten doppen. Toch is het in het verleden wel gebeurd. Het is bijna vijftig jaar geleden dat Rob Walker Racing met Jack Brabham als enige troef daags voor het begin van de kwalificatie zonder chassis kwam te zitten...

Brabham had de donderdagtrainingen nota bene gemist door een uit de hand gelopen toeristenbezoek aan Modena en wilde tijdens de ochtendtrainingen op vrijdag de verloren tijd goedmaken. Ook in die tijd was Monaco meedogenloos voor coureurs die in de fout gingen. Bij het aanremmen voor het Casino verloor Brabham de controle over het Cooper-chassis en schoot op volle snelheid door de vangrails heen. De Australiër stapte ongedeerd uit, maar van de Cooper was weinig meer over. Wonderwel was de Climax-motor wel ongedeerd gebleven en daarin schuilde het laatste sprankje hoop om op zondag alsnog deel te kunnen nemen.

John Cooper had Rob Walker Racing het chassis verkocht waarmee Brabham op vrijdag was gecrasht. Het team restte weinig keuze dan opgeven, totdat Cooper zelf polshoogte kwam nemen en hen een Formule 2-chassis aanbood. Gedurende de nacht van vrijdag op zaterdag werkten de beide teams van Walker en Cooper om de ongeschonden Formule 1-motor in het Formule 2-chassis te plaatsen. Het vergde veel aanpassingen, maar uiteindelijk stond daar op zaterdagochtend een aangepast F2-chassis klaar voor Brabham. 

Toch maakte het Walker team zich geen illusies. In normale omstandigheden zou de auto tekort komen om zich te kwalificeren. Het lot was het team echter gunstig gezind, al leek het in eerste instantie anders te zijn: op het moment dat Brabham's verbeteringen hem steeds dichter bij de kwalificatiegrens brachten, blies een van de rijders zijn motor op bij Saint Devôte, resulterend in een enorm vervuilde baan. Walker liep daarop resoluut naar de marshal bij die bocht. Die kende hij omdat hij bovendien de barman was van het Hotel de Paris. Wellicht kwam het door zijn achtergrond als erve van de whiskyfamilie Johnnie Walker, maar hij kreeg de marshal annex barman zover dat hij de sessie stillegde, zodat de baan kon worden opgeruimd. De bocht werd zorgvuldig schoongemaakt en met één concurrent minder na het uitvallen van qualifier Gregory ging Brabham opnieuw de baan op om zich glansrijk als vijftiende van de zestien te kwalificeren. 

De Formule 2 Cooper had als voordeel dat hij veel lichter was dan veel van zijn concurrenten. De benzinetank had echter onvoldoende capaciteit om de volledige 105(!) ronden vol te maken. Brabham zou dus tussentijds moeten stoppen voor benzine. In die tijd niet gangbaar; zeker niet in Monaco. Maar het gewichtsverschil zou hem vleugels geven. Hij stoomde op tot de derde positie achter Juan Manuel Fangio en Tony Brooks. Een droomrace en een stunt leek in de maak. Totdat twee ronden voor het einde de brandstofpomp het begaf. Met de snelheid die hij nog had laveerde Brabham de laatste ronde in, maar halverwege kwam hij tot stilstand. Zonder te twijfelen stapte de Australiër uit en duwde de auto de laatste kilometer naar de finish, om daar uiteindelijk nog als zesde aan te komen. De Formule 1 had in Monaco 1957 definitief kennisgemaakt met Jack Brabham. Het gebaar van John Cooper kreeg een vervolg in 1959, toen Brabham overstapte naar het fabrieksteam en in dat jaar direct zijn eerste wereldtitel behaalde.

Het is een ongelooflijke geschiedenis, maar het tekent de sfeer die er destijds was. De autosport was begin jaren '50 begeven van welgestelde liefhebbers, die de competitie boven hun eigen belang stelden. Geld was voor hen geen motief; Rob Walker heeft aan de autosport nooit geld verdiend, maar er heel veel in geïnvesteerd. En toch had hij daar nooit spijt van. Hoe anders is het nu, vijftig jaar later in 2006, waar de teams de legaliteit van elkaars auto's in twijfel trekken? Het is inherent aan de professionalisering van de sport dat de teams voor eigen kansen gaan. De FIA wil het onderling verhandelen van chassis' en onderdelen vanaf 2008 weer toestaan, maar taferelen als destijds zullen niet meer terugkeren. De tijden veranderen, maar toch zou het mooi zijn als er ook maar een fractie van dat oude kameraadschap tussen de teams zou terugkeren... Allen voor één!

    Groeten,

         Stefan